Uitgelichte vensters:

Cafégrootte: 26,95 m² – goed voor 60 liter bier per jaar De Burghpolder (het Zoutland of de Zoute Polder) werd waarschijnlijk al rond 1200 voor het eerst bedijkt en kreeg in 1430 zijn definitieve inpoldering. De oorspronkelijke schorren maakten vrijwel zeker deel uit van de schenking die graaf Filips van de Elzas in 1183 deed. Op een geografische kaart van het polderbestuur staat zowel aan de noordzijde (ter hoogte van Grindweg nr. 2) als aan de zuidzijde (bij de boerderij van de familie Kuijpers) een onverhard pad aangegeven. Mogelijk liep deze weg oorspronkelijk helemaal door, vergelijkbaar met de Langeweg in de Hooglandpolder en de Stuiverstraat in de Mariapolder. Ko Dubois, metselaar en aannemer van de bouw van de vorige kerk (1853-1856), begon hier rond 1880 een café. De zaak bleef gedurende drie generaties in handen van de familie Dubois. Jacobus Dubois exploiteerde het café tot aan zijn overlijden in 1930. Daarna zette zijn weduwe de onderneming voort. Het café stond bekend als een ontmoetingsplaats voor boeren en arbeiders uit de omgeving. Hier werden niet alleen consumpties genuttigd, maar ook zaken besproken en afspraken gemaakt. Zoals gebruikelijk in die tijd werd de grootte van een café mede bepaald aan de hand van het toegestane bierverbruik. Voor dit café bedroeg dat 60 liter per jaar. Hoewel het gebouw inmiddels verdwenen is, vormt deze locatie een herinnering aan het sociale leven in de Burghpolder en de rol die kleine dorpscafés speelden binnen de lokale gemeenschap.

Ossenisse-Zeedorp is een dorp aan de Westerschelde in Zeeuws-Vlaanderen met een geschiedenis van ruim 850 jaar. Het oorspronkelijke, vermoedelijk nog oudere dorp verdween mogelijk al in de twaalfde eeuw in de golven van de Westerschelde. Het zou hebben gelegen ten westen van de zogenoemde neus van Zeeuws-Vlaanderen, mogelijk in de omgeving van het Oude Gemaal. Bij het graven van het oude afwateringskanaal stuitte men op een mogelijke begraafplaats. Daarbij rees de vraag of zich hier ooit een klooster van de Heren van Baudeloo bevond, mogelijk verbonden aan het kasteel Huis ter Nesse bij Knuitershoek, of dat het ging om het huis van de Tempeliers uit het begin van de veertiende eeuw. Voor de afsluiting van de Hellegatpolder was een nieuwe afwatering van de omliggende polders noodzakelijk. Tijdens de aanleg van een afwateringskanaal in 1850 werd een deel van het schor ingedijkt. Daarbij kwam een oude begraafplaats met meer dan duizend graven aan het licht. De Zeeuwse archivaris J.P. van Visvliet werd hierover geïnformeerd, maar van een uitgebreid archeologisch onderzoek is het helaas nooit gekomen. De naam Ossenisse wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit 1183 van graaf Filips I van de Elzas. Hierin schonk hij aan het klooster van Coesvoorde „al dat land der zee tussen Ossenesse en Hontenesse, dat Werpland of Zand wordt genoemd, met al wat daarbij behoort of later zal aanslibben”, met het doel het gebied in te polderen. Filips was overigens de eerste graaf die de Vlaamse leeuw als wapen voerde. Toen het geschonken schorrengebied dertien jaar later nog steeds niet was ingepolderd, droeg zijn opvolger, Boudewijn IX van Vlaanderen, het gebied tussen Hosnisse (Ossenisse) en Hontenesse over aan de abdij Ter Duinen, onder de voorwaarde dat er een kapel zou worden gebouwd. Daarbij ontstond ook een uithof, Hof te Zande, met verschillende bijhoven, waaronder het Noordhof in de Noordhofpolder, het Nieuwhof nabij Kreverhille en het Franckenhof in de Kruispolder. Meer informatie hierover is te vinden bij de Protestantse Gemeente Oosthoek. Tegenwoordig maakt Ossenisse deel uit van de gemeente Hulst. Daarvoor behoorde het tot de gemeente Hontenisse. Tussen 1936 en 1970 maakte het deel uit van de gemeente Vogelwaarde, terwijl het vóór 1936 een zelfstandige gemeente was. Tijdens de derde historische wandeling wordt verder ingegaan op deze ontwikkeling. In 2010 telde het dorp 339 inwoners.